April 18th, 2011 — 9:17pm

Reactie » | Hr.K.M. Akkerman, zilver.nl nieuws

September 23rd, 2010 — 8:55pm

Martijn Akkerman

Het Juweel op reis

Tegenwoordig willen veel mensen hun juwelen bij wijze van spreken dag en nacht dragen. Maar steeds vaker wordt het advies gegeven om dan in ieder geval tijdens de vakantie de kostbaarheden in een kluis op te bergen. Het gevaar van diefstal en verlies gedurende de reis en tijdens het oponthoud op vliegvelden en in hotels is te groot, waarbij bepaalde landen, zoals Italie en sommige Zuid-Amerikaanse landen een extra risico betekenen.

Maar vroeger was reizen met juwelen minstens zo gevaarlijk. Een reis per trekschuit of diligence duurde niet alleen lang, maar was ook niet erg comfortabel en overvallen door struikrovers of ander gespuis waren schering en inslag. Zo reisde mijn grootmoeder in 1894 op twaalfjarige leeftijd eens met haar zusje per trekschuit van Alkmaar naar Schagerbrug, om bij haar grootouders te logeren. De reis duurde bijna een dag – terwijl de afstand hemelsbreed slechts 24 kilometer bedraagt – en de meisjes breiden dan ook elk een hele sok ! In Schoorldam aangekomen liet de schipper de trekschuit stoppen om met zijn kornuiten een uurtje naar de kermis te gaan, om daarna weer rustig de reis te vervolgen. De passagiers moesten in de schuit blijven wachten en zaten bij eventueel onraad als ratten in de val. Men vervoerde dus maar liever niet al te veel kostbaarheden en het is dan ook niet verwonderlijk dat al vroeg speciale reisjuwelen werden vervaardigd, vanzelfsprekend van goedkope materialen, om de schade bij verlies of diefstal tot een minimum te beperken. Overigens werden dergelijke juwelen, in tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden, nooit tijdens de reis zelf gedragen, maar uitsluitend op de plaats van bestemming.

De vroegste reisjuwelen waren exacte kopieen van echte exemplaren, met dien verstande dat imitatie edelstenen en parels werden gezet in zilver dat soms werd verguld. Ze worden in de literatuur meestal beschreven als “paste”, een oude Engelse benaming waarvan de oorsprong onbekend is, maar die soms in verband wordt gebracht met glaspasta. De veel later in zwang gekomen term “costume jewellery” slaat uitsluitend op totale namaak, die als goedkoop alternatief bij een bepaalde kledingmode werd gedragen. De ontwerpen van Chanel en Schiaparelli uit de twintiger jaren en daarna zijn hiervan goede voorbeelden. Overigens is het over het algemeen moeilijk om een oud en onedel sieraad als een reisjuweel te benoemen. In de loop van de achttiende eeuw nam het aantal mensen dat een juweel naar de laatste mode wenste te dragen snel toe, waardoor de vraag naar imitatie niet kon uitblijven. Helaas is hiervan veel verloren gegaan. Het loonde immers vaak nauwelijks de moeite om reparaties uit te voeren, vervanging was dikwijls goedkoper.

De Straatsburger juwelier Georges Frederic Stras bijvoorbeeld, die zich in 1734 in Parijs vestigde, ontwikkelde een kristalsoort met een hoog loodgehalte, die als imitatie van diamant een groot succes werd. Aan het Franse hof was het zelfs een tijd zeer en vogue om in plaats van echte diamanten “stras” te dragen en de naam wordt nu nog altijd aan namaaksieraden gegeven. In 1767 telde het Parijse gilde van “jouilliers faussetiers” , letterlijk namakers, maar liefst 314 leden. En in Nederlandse inventarissen uit die tijd vinden we naast het eerlijke woord vals ook wel de term “Cleefse diamanten” , een bij Cleef gedolven kwartssoort, of rafouge, een verbastering van het Franse faux, later gevolgd door simili, die beide vals of namaak betekenen. Ook goud werd nagemaakt. Hierbij horen de namen van Christopher Pinchbeck (1670-1732) en zijn zoon Edward, die in Londen een goudimitatie op de markt brachten van een koper en zinklegering, die ook in Nederland werd verkocht.

In het verleden was het vooral de adel, die als belangrijkste juwelenbezittende klasse over reisjuwelen beschikte. Maar gelijktijdig was het juist die zelfde adel die tot kort voor de Tweede Wereldoorlog in alle andere gevallen absoluut geen namaak accepteerde. In het geval van parels zelfs geen cultive, want ook die werden als du tocque, dus vals beschouwd. Hierbij moet overigens wel worden opgemerkt dat de vele parels van dikwijls enorme afmetingen in de colliers en oorhangers op de zeventiende eeuwse portretten van onze voorouders onmogelijk allemaal echt kunnen zijn geweest.

Naast het veiligheidsaspect was er echter blijkbaar nog een geheel andere reden waarom de adel tijdens het reizen geen echte juwelen droeg. In haar amusante boekje “Vin-je dat we een hoed opmoeten ?” gaf Agnies Pauw van Wieldrecht hiervoor de verklaring: “Op reis droeg men geen juwelen, want anderen zouden ze kunnen zien”. En ze illustreerde dit aan de hand van een heerlijke anekdote:

“In augustus 1945 inviteerden vrienden van mijn vader mij die maand bij hen in Dublin te komen doorbrengen om aan te sterken na de doorstane Hongerwinter…..Een andere logee, een oudere tante van de gastheer, freule X uit Nederland zou eveneens van de partij zijn….Na de begroeting aan de vliegtuigtrap zag ik tot mijn verbazing dat ze haar blouse bij de hals met een veiligheidsspeld had vastgestoken. Nauwelijks in huis aangekomen opende zij haar tas en haalde een eenvoudige gouden broche te voorschijn en wisselde deze met de veiligheidsspeld. Voorts kwam uit de tas een klein snoertje parels, dat ze omdeed. Ik bekeek dit alles nieuwsgierig en, nogal enfant-terribelig, vroeg ik: “Freule, waarom doet u dat ?” Verbaasd over mijn onwetendheid antwoordde zij : “Maar mijn lieve kind, wij reizen toch niet met bijous !”

Reactie » | Hr.K.M. Akkerman

Terug naar boven